Make your own free website on Tripod.com

Bosspitsmuizen
Vorige Start Terug Volgende

 

Het voorkomen en herkennen van Bosspitsmuis (Sorex araneus) en Tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) in BelgiŽ

Sinds 1964 worden Bosspitsmuis en Tweekleurige bosspitsmuis aanzien als twee verschillende soorten. In Vlaanderen gebeurde nog relatief weinig onderzoek naar het voorkomen van beide soorten. Aangezien de ZWG toch van plan is om rond 2000 een nieuwe atlas 'op de markt te gooien', zou het toch noodzakelijk zijn, dat beide soorten afzonderlijk worden opgenomen. Hiervoor moeten beide, moeilijk te determineren, soorten herkend kunnen worden. Aan de hand van een korte literatuurstudie zal gepoogd worden om het herkennen (vooral op schedelkenmerken) aan te leren. Ook wordt eventjes ingegaan op het mogelijks voorkomen van beide soorten in BelgiŽ.

Twee soorten

Sinds 1964 (Meylan) worden Bosspitsmuis en Tweekleurige bosspitsmuis aanzien als twee verschillende soorten. Dit onderzoek was gebaseerd op chromosomenonderzoek en is te ingewikkeld om uit te leggen. Toen werden ze echter nog niet Bos- en Tweekleurige bosspitsmuis genoemd, maar wel karyotype A en B van Sorex araneus.

In zoogdieren van de Benelux (Lange et al., 1986) wordt melding gemaakt van Bosspitsmuis en Beemdspitsmuis. De naam Beemdspitsmuis wordt best achterwege gelaten aangezien het vooral de Bosspitsmuis zou zijn die in vochtige gebieden (beemden) voorkomt.

Voor het ontstaan van beide soorten is een mooie hypothese opgesteld: Sorex araneus kwam voor de ijstijden overal voor in Europa. Tijdens de laatste ijstijd is Sorex coronatus ontstaan in een geÔsoleerde populatie in het zuidwesten van Frankrijk (de streek tussen Bordeaux en de PyreneeŽn). Na de ijstijd breidde de soort zich uit in noordoostelijke richting en verdreef Sorex araneus naar hoger gelegen en vochtige gebieden. Dit proces is mogelijk nog steeds aan de gang.

Waarom

In Vlaanderen gebeurde (en gebeurt) rond zoogdieren vrij weinig onderzoek. In 1985 werd echter een zoogdiereninventarisatie van Vlaanderen uitgegeven (Holsbeek et al, 1985). Dit gebeurde dan nog wel door onze eigen ZWG!!! Het mag nog steeds gezegd worden: de inventarisatie was een unicum!! Het is echter wel jammer dat de beide bosspitsmuizen toen niet uit elkaar werden gehouden. Wanneer we dus Bosspitsmuis opmerken in de zoogdiereninventarisatie, moet dit gelezen worden als Bosspitsmuis of Tweekleurige bosspitsmuis.

De eerste onderzoeken in Vlaanderen naar het al dan niet voorkomen van beide soorten bosspitsmuizen gebeurde voor het eerst door Van der Straeten & Van der Straeten (1978) en Mys et al. (1985). Aangezien de publicaties vrij ingewikkeld zijn en vrij veel statistiek naar boven komt, zal ik jullie dit alles besparen en het voornaamste resultaat geven: het eerste kaartje voor Vlaanderen waar waarnemingen opstaan van de beide bosspitsmuizen (terug te vinden op Fig. 1).

Het herkennen

Aangezien we in 2000 de volgende atlas van de persen willen laten rollen, moeten we toch in staat zijn beide soorten te herkennen.

Dat het herkennen echt niet gemakkelijk is, zou eigenlijk geen probleem mogen vormen om het toch te proberen. Ik heb gepoogd om de verschillende manieren eens allemaal op een rijtje te zetten. Al vlug wordt duidelijk dat sommige methoden echt moeilijk zijn (maar wel nauwkeurig), anderen daarentegen zijn vrij simpel maar dan weer minder betrouwbaar.

Morfologisch

Ingewikkelde schedelformule

Hausser & Jammot (1974) ontwikkelden een discriminantformule voor de onderkaak:

X = a x 0,0372 -b x 0,0919 - g x 0,0327 +d x 0,0386 - 8,8210

Hierin zijn a, b, g en d vier verschillende aan de onderkaak te meten afstanden (zie Fig. 2).

Voor onderkaken van Sorex coronatus neemt X negatieve waarden aan, voor Sorex araneus positieve waarden. Volgens het materiaal bestudeerd door Hausser & Jammot kan met deze functie 95,3 % van de gevallen gedetermineerd worden.

Loch (1977) konkludeert echter dat voor Nederland Sorex araneus soms een kleine negatieve waarde aanneemt. De scheidingswaarde zou dan niet 0 zijn maar ergens liggen tussen -1 en -1,5.

Van der Straeten (1978) komt tot dezelfde konklusie voor BelgiŽ. M.a.w. wanneer we schedels afkomstig uit BelgiŽ en Nederland volgens die methode opmeten, kan best gezegd worden dat alles wat kleiner is dan -1,5 Sorex coronatus is en als wat groter is dan -1 Sorex araneus.

Mys et al. (1985) berekende aan de hand van een hoop statistiek dat op deze metingen een fout zit van ongeveer 0,5. Dit betekent dus als we een grote zekerheid erop willen nahouden dat we moeten zeggen dat alles wat kleiner is dan -2 Sorex coronatus is en alles wat groter is dan -0,5 Sorex araneus. Alle waarnemingen tussen -0,5 en -2 zijn dus niet zeker determineerbaar.

Eenvoudige schedelformule

Handwerk (1987) ontwikkelde voor het Rijnland een nieuwe eenvoudige schedelformule. Er kan worden gewerkt met alleen onderkaken, alleen bovenkaken of beiden.

Wanneer alleen onderkaken kunnen gemeten worden, moet men zich richten op de processus articularis. Hiervan moeten maat x19 en x21 gemeten worden (Fig. 3).

Het quotiŽnt x21/x19 ligt bij Sorex araneus tussen 1,11 en 1,51. Bij Sorex coronatus daarentegen tussen 1,44 en 1,83. Met deze methode konden 93,4% van de schedels juist gedetermineerd worden. Wanneer het quotiŽnt tussen 1,44 en 1,51 ligt, blijkt determinatie niet mogelijk.

Wanneer alleen de bovenschedel kan opgemeten worden, moeten x5 en x6 gemeten worden (Fig. 4)

Het quotiŽnt x5/x6 is bij Sorex araneus groter dan 1, bij Sorex coronatus kleiner dan 1. In 90,1 % van de gevallen is de determinatie correct.

Wanneer zowel boven als onderkaken kunnen gemeten worden kan men best het quotiŽnt (x21/x19)/(x5/x6) berekend worden. Met deze methode komt men in 96,2 % van de gevallen tot een juiste determinatie.

Nog eenvoudiger: het zicht

Aangezien voor veel mensen het vinden van de juiste wetenschappelijke artikels nog altijd een hachelijke zaak is, heb ik geprobeerd om een aantal goede tekeningen en foto's bijeen te rapen.

In Fig. 5 zijn een aantal foto's te zien (uit Handwerk, 1987). Bovenaan bevinden zich de Processus articularis van Sorex araneus en onderaan die van Sorex coronatus. Bij Sorex araneus wordt een 'dikkere', stompe driehoekige knobbel vastgesteld; bij S. coronatus is die hoger en smaller.

Niethammer & Krapp (1990) tonen eveneens een paar Processus articularis (Fig. 6). Op de bovenste rij staan de smallere, langere 'knobbels' van S. coronatus. Op de onderste die van S. araneus.

Wanneer we de onderkaken van beide bosspitsmuizen bekijken, zouden we nog een ander kenmerk moeten zien (Fig. 7). Bij S. coronatus (kolom A) reikt de Processus coronoÔdes (het 'tsjoepke' dat naar boven uit steekt) altijd lichtjes naar voor. Er zit als het ware een knik naar voren in. Bij S. araneus (kolom B) daarentegen staat die meer rechtop zonder daarin een knik aan te treffen. Loch (1977) kon op die manier 88,4% van de Nederlandse bosspitsmuizen determineren.

Uiterlijk

Wanneer we in het veld rondcrossen, blijft het toch nogal moeilijk om vlug eventjes de schedel op te meten van een vrolijk rondlopend bosspitsmuisje. Daarom zou het interessant zijn moesten we de bosspitsmuizen op het zicht kunnen herkennen. Maar hier komt de (virtuele) kat op de koord.

Slechts in een aantal gevallen is het mogelijk om de twee soorten uiterlijk te onderscheiden. In het meest ideale typische geval is de Tweekleurige bosspitsmuis echt tweekleurig. Dit betekent: een vrij donkere bovenkant, een vrij scherpe demarcatielijn en een lichte onderkant. Bij de Bosspitsmuis kunnen in het ideale geval drie kleuren onderscheiden worden: donker van boven, aan de zijkanten een lichter bruin en aan de onderkant crŤmekleurig wit.

Het probleem dat zich heel dikwijls stelt is dat niet alle Tweekleurige bosspitsmuizen een duidelijke demarcatielijn hebben en dat niet alle Bosspitsmuizen duidelijk driekleurig zijn.

Daarom zou ik durven stellen dat slechts met zekerheid het onderscheid mag gemaakt worden als het om typische gevallen gaat.

Het mogelijks voorkomen

Over het mogelijke voorkomen in Vlaanderen bestaat nog altijd geen echte duidelijkheid. Mys et al. (1985) publiceerde een kaartje (zie Fig. 1) met waarnemingen van beide bosspitsmuizen. Wanneer we dan kijken naar het kaartje in Zoogdieren van West-Europa (Lange et al., 1994) (Fig. 8), zien we toch een paar andere dingen.

Volgens de gegevens van Mys et al. (1985) komt Sorex araneus wel degelijk voor in West- en Oost-Vlaanderen. Eveneens werd deze soort ook aangetroffen in Henegouwen.

Volgens de Lange et al. (1994) stopt het voorkomen bij de provinciegrens Antwerpen-Limburg om zo vertikaal door Namen Frankrijk binnen te duiken.

Het ziet er dus naar uit dat Sorex araneus meer naar het westen voorkomt dan voorgesteld door Lange et al. (1994). Alleen wanneer we veel materiaal zullen verzameld hebben, kunnen we hierover uitsluitsel geven!!

Slot met oproep

Hopelijk vormt dit artikel een aanzet om het onderscheid te maken tussen de beide bosspitsmuizen. Ik ben er mij volkomen van bewust dat het niet gemakkelijk is!! Ik kan echter maar ťťn raad geven: probeer en hou vol. Na een tijdje begint het te lukken.

Wanneer je het niet ziet zitten om zelf zo'n 'moeilijke' berekeningen uit te voeren, zou het toch al fantastisch tof zijn om alle schedels van bosspitsmuizen bij te houden. Binnen de ZWG lopen er nl. toch enkele geflipte kerels (n.v.d.r. ik dus (de Eliomys-redacteur)) rond die het zien zitten om zich daar mee bezig te houden. Kortweg: hou alle bosspitsmuizen bij en geef ze door (net als je andere zoogdierwaarnemingen trouwens) !!!

U hopende van dienst te zijn geweest,

Stijn Vanacker

Literatuur

Mensen die ťťn of ander artikel zouden willen, mogen mij altijd een seintje geven.

HANDWERK (1987). Neue Daten zur Morphologie, Verbreitung und ÷kologie der Spitzmšuse Sorex araneus und S. coronatus im Rheinland. Bonn. zool. Beitr., 38, 273-297.

HAUSSER, J. & JAMMOT, D. (1974). Etude biomťtrique des m‚choires chez les Sorex du groupe araneus en Europe continentale (Mammalia, Insectivora). Mammalia, 38, 324-343.

HOLSBEEK, L., LEFEVRE, A., VAN GOMPEL, J., VANTORRE, R. (1985). Zoogdieren-inventarisatie van Vlaanderen (1976-85). Gent, JNM, 116 p.

LANGE, R., VAN WINDEN, A., TWISK, P., DE LAENDER, J., SPEER, C. (1986). Zoogdieren van de de Benelux. Herkenning en onderzoek. Utrecht, Jeugdbondsuitgeverij, 193 p. LANGE, R., TWISK, P., VAN WINDEN, A., VAN DIEPENBEEK, A. (1994). Zoogdieren van West-Europa. Utrecht, KNNV-uitgeverij, 400 p.

LOCH, R. (1977). A biometrical study of karyotypes A and B of Sorex araneus Linnaeus, 1758, in the Netherlands (Mammalia, Insectivora). Lutra, 19, 21-36.

MEYLAN, A. (1964). Le polymorphisme chromosomique de Sorex araneus L. (Mammalia, Insectivora). Revue suisse de Zoologie, 71, 903-983.

MYS, B., VAN DER STRAETEN, E., VERHEYDEN, W. (1985). The biometrical and morphological identification and distribution of Sorex araneus L., 1758 and S. coronatus Millet, 1828 in Belgium (Insectivora, Soricidae). Lutra, 28, 55-70.

NIETHAMMER, J., KRAPP, F. (eds.) (1990). Handbuch der Sšugetiere Europas, Band 3/1: Insektenfresser, Herrentiere. Wiesbaden, AULA-verlag, 236-286.

VAN DER STRAETEN, E., VAN DER STRAETEN, B. (1978). Biometrisch onderzoek naar het voorkomen van de twee chromosoomtypen A en B van Sorex araneus Linnaeus, 1758, in BelgiŽ. Lutra, 20, 1-7.

 

Design & maintenance by Bonx
Copyright © 2000. JNM Zoogdierenwerkgroep. All rights reserved.
Last updated on 18/11/1999