Make your own free website on Tripod.com

Bruine beer
Vorige Start Terug Volgende

 

De Bruine beer in Europa en rond de Middellandse Zee

Algemeen

Introductie

De bruine beren (Ursus arctos) zijn de modernste van de beren. In historische tijden kwamen ze voor van Noord Afrika via Eurazie tot in Noord Amerika. In dit enorme verspreidingsgebied opntstonden veel ondersoorten. In Eurazie wordt de bruine beer van West naar Oost veel groter. Reeds in het Oeral gebergte zijn ze tot 4 keer groter dan de Europese vormen.De grootste ondersoorten vindt men in het verre oosten nl. de Kamtsjakabeer en de Kodiakbeer. In Azie zijn er nog andere ondersoorten waaronder: de Syrische beer en de Isabelbeer uit de Himalaya. In Noord-Amerika treffen we de Grizzli beer aan.

Anatomie

Beren zijn grote zware gebouwde dieren. Het skelet is dan zwaar en met goed ontwikkelde beenkammen op verschillende botten. Beren zijn zoolgangers en elke poot heeft 5 ongeveer even grote tenen. Aan de forse schedel bevindt zich de mandibula die er via een gewricht mee scharniert. Het neusbeen ligt wat meer naar voor en daardoor is het minder gewelfd dan bij de holenbeer (Ursus spelaeus). Het gebit is dat van een omnivoor wat natuurlijk overeen komt met zijn voedingswijze. De kiezen hebben grote, platte en van lage knobbels voorziene kronen en worden daarom knobbelkiezen genoemd. De Bruine beer heeft tandformule 3.1.3.2 / 3.1.3.2 ,dit betekent dat er aan de bovenkaak 3 snijtanden (I), 1 hoektand (C), 3 valse kiezen (P) en 3 ware kiezen (M) bevestigd zijn, idem voor de onderkaak behalve dat er daar 3 ware kiezen bevestigd zijn. De onderste hoektand is krommer dan de bovenste hoektand.

Levenswijze

Beren zijn zoals reeds vermeld omnivoor, ze eten allerlei planten, vis, insekten, kleine knaagdieren en bovendien aas. Slechts uitzonderlijk vallen ze grotere dieren aan zoals bijvoorbeeld rendieren. In de zomer brengt hij vetreserves aan voor een winterrust te kunnen houden waarbij hij in een sluimer toestand geraakt. Dit is echter geen echte winterslaap daar temperatuur en hartslag niet veranderen.

De zomer wordt het berin bevrucht. Na de paring stopt de ontwikkeling van de embryo's al in een vroeg stadium. In november begint pas de eigenlijke draagtijd waardoor deze met 8-10 weken voor zo'n groot dier heel kort is. In december of januari brengt zij in haar overwinteringshol de jongen geboren. Meestal worden 2 of 3 en zelden 1 of 4 jongen geboren . Ze zijn dan zo groot als een rat . De berin zoogt dan haar jongen ongeveer gedurende anderhalf jaar.

ZoŲgrafie

Om de huidige geografische verspreiding van de bruine beer te kunnen verklaren is het nodig om beroep te doen op de paleontologie. Deze leert ons dat het grootste gedeelte van de zoogdieren van Europa ontstaan zijn tijdens het late tertiair en kwartair.

Om de evolutie, die deze zoogdieren hebben ondergaan, te kunnen begrijpen moeten we ons een beeld kunnen vormen van het milieu waarin deze geleefd hebben. Het kwartair wordt gekenmerkt door sterke klimaatswisselingen die gevolgd worden door zeespiegeldalingen of -stijgingen. Tijdens het pleistoceen wisselen glacialen en interglacialen mekaar af waardoor we in Europa zowel toendra als tropische vegetatie kunnen aantreffen. Tijdens interglacialen treft men in Midden -en Zuid Europa savanne aan met de daarbijhorende fauna, zoals: olifanten, leeuwen, nijlpaarden... Tijdens de glacialen echter dalen de temperaturen fors. In de boreale gebieden treft men dan uitgestrekte loofwouden aan waarin bosdieren leven zoals: herten, wolven, holenberen maar ook steenbokken en gemzen. Noordwaarts treft men dan vervolgens de toendra aan met enorme naaldwouden en daarna de taiga dat uit een open naaldwoud bestaat waarin de Bruine beer samen met de Veelvraat en de Gems leeft.

Het is in de taiga, in Azie, dat de Bruine beer (Ursus arctos) ontstaat uit de Ursus etruscus tijdens het midden-pleistoceen. Ursus etruscus is ook de voorouder van de Holenbeer (Ursus spelaeus) via de Ursus deningeri. De Bruine beer komt pas toe in Europa tijdens het late pleistoceen. Vanuit het noord-oosten van Europa migreert hij dan naar het zuid-westen tot aan de Middelandse Zee. Tijdens het laat-pleistoceen bestaan er verschillende landbruggen die het Afrikaans continent met Europa verbinden. Zo is er de Galita brug die Corsica en Sardinie met Afrika verbindt, Gibraltar voor Afrika en het Iberisch schiereiland en waarschijjnlijk heeft er ook een landbrug bestaan tussen Sicilie en Noord Afrika. Via deze landbruggen is de bruine beer dan Noord-Afrika binnengekomen samen met het Everzwijn, de Makkak, het Hert, het Damhert, het Maneschaap, de Vos, de Otter en de Lynx. Ook bestond er toen een verbinding tussen Engeland en Europa zodat de bruine beer zich daar ook kon verspreiden.

Wanneer de zeespiegel dan weer steeg, bevonden deze populaties zich op een eiland afgesloten van Europa. Engeland was dan volledig omrigd door zee en Noord-Afrika was dan omringd door zee en woestijn. Dit geografisch isolement heeft dan gezorgd voor de ontwikkeling van ondersoorten.

De Bruine beer is dan ook afgezakt naar het Midden-Oosten toe waar zich noch een ondersoort gevormd heeft, namelijk de Syrische beer (Ursus syriaticus).

Huidige verspreiding

Noord-Europa

In Noorwegen werden begin deze eeuw nog veel beren gesignalleerd maar halfweg de jaren zestig was het aantal beren teruggelopen tot zo'n 25 tot 50 individuen. Daarom werd in 1973 besloten om de bruine beer volledig te beschermen. Eind jaren 70, begin jaren-80, werd de Noorse populatie uitvoerig in kaart gebracht en werd de populatiegrootte geraamd op zo'n 160-230 individuen. Het groot aantal jongen die later nog werden waargenomen wijst op een verdere groei.
Reeds in 1913 werd de beer in Zweden beschermd zodat de populatie steeg tot in 1943 wanneer bejaging terug noodzakelijk werd geacht. In 1980 werden tellingen uitgevoerd en werd het hun aantal geschat op 400-600. Thans zou deze populatie, die zich aansluit met die van Noorwegen, reeds 800 individuen bereiken.
In de jaren 60 waren er in Finland meer dan 500 beren aanwezig maar dit aantal werd door bejaging teruggedrongen tot zo'n 150 individuen. Door betere bescherming is de populatie dan terug gestegen tot 500. Deze snelle stijging is te verklaren door immigratie vanuit Karelie.

Midden-Europa

Midden-Europa omvat TsjechiŽ, Slovakije, Polen en Roemenie. De populatie in de Karpaten (Rusland) vormt een geheel met de populatie van TsjechiŽ , Slovakije en Polen in het Noorden en met de populatie in Roemenie in het Zuiden. Voor W.O. II leefden er maar zo'n 20 individuen in Slovakije maar na volledige bescherming in 1932 constateerde men een sterke groei. Momenteel zouden er in Tsjechi‰ en Slovakije samen een 400 tal beren rondlopen. Voor het uitbreken van W.O. II leefden enkele honderden bruine beren in de Poolse Karpaten, van deze populatie bleef na W.O. II 15 individuen over. In 1976 werd het dubbele geteld. Het zwaartepunt van Middeneuropese populatie ligt in Roemenie en telt ongeveer 6000 stuks.

Zuidoost-Europa (Hiervan zijn de gegevens schaarser of onzeker)

In Bulgarije schatte Markov de populatie op zo'n 520 exemplaren. In Griekenland is de huidige populatie nog moeilijker te bepalen daar de meest recente telling afkomstig is van Couturier in 1954, toen zouden er nog zo'n 100 dieren leven. De Bruine beer werd hier pas beschermd in 1980 zodat er een sterke achteruitgang zal plaatsgevonden hebben.

Ex-Joegoslavie

Hier werd in 1986 de populatie-grootte geschat op 1600 tot 2000 individuen via telemetrie enquetes en jachtgegevens. Een deel van de populatie zit in jachtreservaten waar hoge dichtheden worden bereikt. Met het uiteen vallen van Joegoslavie en de burgeroorlog zal het aantal beren gedaald zijn maar eens de rust teruggekeerd zal de populatie zich kunnen herstellen gezien de grootte van de populatie in 1986, de grootte van het aaneengesloten verspreidingsgebied en het bestaan van jachtreservaten die als 'breeding centers' kunnen fungeren.

Italie

In Italie blijven er slechts 2 kleine geÔsoleerde populaties over. Deze isolatie is de oorzaak van het verdwijnen van een geschikte biotoop door landbouw, urbanisatie en industrialisatie. In Trentino de Italiaanse Alpen zouden er nog zo'n 15 individuen leven. Het tweede gebied is het nationaal park van de Abruzzo waar nog 70 tot 100 beren leven.

Zuidwest-Europa

Hier zijn nog 2 deelpopulaties aanwezig die eens een grote deelpopulatie vormden tot 1930. Op de grens van Spanje en Frankrijk kwamen er in 1972 nog 100 tot 130 beren voor, momenteel is dat nog maar 30 dieren. Dit is de oorzaak van bosbouw toerisme en jacht. In Frankrijk is de Bruine beer pas in 1982 volledig beschermd. In het Cantanbrisch gebergte leven er nog zo'n 30 exemplaren. Dit aantal zou nog kunnen toenemen indien de bosbouw in deze regio wordt stopgezet (loof- en naaldbos) en de mijnbouw beperkt blijft.

Oosten van het Mediterraan gebied. (Israel)

Het grootste deel van de informatie van dit gebied komt van Israel. In dit gebied kwam de Syrische beer (Ursus arctos syriaticus) voor. Wanneer Palestina deel uitmaakte van het Ottomaanse imperium waren er geen jachtgebieden. Wanneer echter dit gebied Brits mandaat werd, werd door de britten het 'game preservation ordinance' ingevoerd. Deze ordonantie had echter weinig betrekking tot de realiteit. Hieronder werd de Syrische beer als beschermd beschouwd. De introductie van het vuurwapen in het Midden-Oosten op het einde van de 19de eeuw samen met de jacht-traditie zijn de oorzaak van het verdwijnen van 3 carnivoren, waaronder de beer en de ungulaten.

De beer werd gemeld door Tristan naast de zee van Gallilei in 1864. Er werden er nog enkele gesignalleerd en geschoten tot de jaren 50 op de Mt. Hermon in het noorden van Israel (Aharani 1946, Talbot 1966). In Libanon werden geen sporen van beren meer gevonden in de toen nog bestaande bossen. (Mendelsohn 1934).

Noord Afrika

Het voorkomen van fossiele resten van beren is reeds bekend van 1837 (H. Mine Edwards). Daarna vergrootte het aantal waarnemingen. Zo kreeg men Bourguignat in 1870, Pomel in 1896, Debruge en tenslotte Arambourg (1927) wiens studie het meest volledig is.

Daarna werden nog berefossielen gevonden tijdens archeologische opgravingen zonder dat er dat men daar verder op inging. Tenslotte werd in 1988 in een tot nog toe niet bezochte grot in het Djurdjura gebergte 4 bijna niet gefossiliseerde onderkaken gevonden (Koen De Smet).

Het is praktisch zeker dat de Ursus arctos tijdens het laat Pleistoceen Noord Afrika is binnengedrongen via De Galita brug, Gibraltar en eventueel langs SiciliŽ. Deze soort is dan afgezondert geweest na een stijging van het zeeniveau en heeft zich in het Atlasgebergte verder ontwikkeld. Arambourg stelde dat deze soort gezien zijn geografisch isolement, in de Berberie (zee in het noorden en woestijn in het zuiden) zich ontwikkelde tot een ondersoort Ursus arctos faidherbi. De vraag is nu tot wanneer deze soort overleefde. Arambourg achtte het weinig waarschijnlijk dat deze soort nog voorgekomen zou zijn in Historische tijden, hij neemt wel aan dat dze soort nog tijdens het neolithicum nog zou bestaan hebben gezien de licht gefossiliseerde beenderen die hij heeft aangetroffen. Ook de beenderen die door K. De Smet in de Djurdura zijn gevonden waren haast niet gefossiliseerd en daarom moeilijk te dateren. Maar wanneer men de literatuur gaat raadplegen, vindt men dat de geschriften van Herodotos en Strabo dat de Bruine beer nog tot in Romeinse tid voorkwam. Daarna vermelden verschillende bronnen dat tot in 1800 er in de bergen rond Annaba nog beren zouden geleefd hebben. Al zijn deze waarnemingen niet afkomstig van wetenschappers is het goed mogelijk dat de beer pas rond 1800 is uitgestorven. Wellicht zullen betere dateringstechnieken in de toekomst dit kunnen bewijzen. Ook is het nog altijd nog niet zeker dat Noordafrikaanse beer vanaf het late pleistoceen geisoleerd zou zijn van de europese populatie.Het is mogelijk dat de immigratie zich in verschillende fasen heeft voltrokken.

Klaas De Smet

Literatuur

Willemsen G.F., Gids voor fossiele zoogdieren.Thieme.

Aulagnier S., Zoogeografie des mammiferes du maroc. doctoraat.

Muller P., Aspects of zoogeography. Publishers.

De Smet K., Studie van de verspreiding en biotoopkeuze van de grote mammalia in Algerije in het kader van het natuurbehoud. doctoraat.

Verstrael T.J., De verspreiding van de Bruine beer (Ursus arctos) in Europa. Lutra, vol. 31, 1988.

Lhote H., Les gravures rupestres de l' atlas saharien.ed off du parc national du tassili.

Arambourg C., Ours fossiles de l' Afrique du nord. Bul. Soc. Hist. Nat. Afr. du Nord

Hofman H., Zoogdierengids. Thieme.

Yom-Tov, & Mendelssohn,Changes in the distribution and abundance of vertebrates in Israel. Ed. Yom-Tov, Y. & Tchernov, E. Junk publ

 

Design & maintenance by Bonx
Copyright © 2000. JNM Zoogdierenwerkgroep. All rights reserved.
Last updated on 18/11/1999